A1 · Prepositions
Praten, spelen en zorgen
More verbs with a fixed preposition.
- Wij praten ___ de buurt.
- Ik praat ___ mijn broer.
- De kinderen spelen ___ pop.
- Wie zorgt ___ de kat?
- Wij lachen ___ de clowns.
- Mijn dochter is bang ___ spinnen.
- Ik ben blij ___ het voorstel.
- Zij is klaar ___ het eten.
- Wij praten ___ de vakantie.
- Zij speelt ___ haar zus.
- Mijn vader zorgt ___ de tuin.
- Wij lachen ___ de film.