A1 · Prepositions
Spreken en denken over
over with things we talk and think about.
- Wij praten ___ het werk.
- Ik denk vaak ___ haar.
- Zij denkt ___ haar werk.
- Ik lees een boek ___ de oorlog.
- Wij hebben het ___ de vakantie.
- Hij praat ___ het eten.
- Wij praten ___ de buren over de tuin.
- Zij denkt ___ de vakantie.
- Ik denk ___ mijn oma.
- We praten ___ het probleem.
- Hij praat ___ de docent.
- Wij lachen ___ de foto.