A1 · Prepositions
Bellen, wachten en zoeken
Verbs of action with op, naar and aan.
- Ik bel ___ mijn moeder.
- Hij belt ___ de deur.
- Wij wachten ___ de trein naar Amsterdam.
- Ik zoek ___ mijn portemonnee.
- Zij vraagt ___ de prijs.
- Mijn zus zorgt ___ de planten.
- Ik bel ___ de dokter.
- Wij zoeken naar ___ huis voor vanavond.
- Er wordt ___ je gewacht.
- Hij belt ___ de buurman.
- Wij wachten ___ het antwoord.
- Zij vraagt ___ hulp met het huiswerk.