A1 · Prepositions
Tijdens en over
during and about.
- Tijdens ___ sport valt iedereen stil.
- Tijdens ___ eten praat hij veel.
- Wij praatten over ___ politiek.
- Tijdens ___ vakantie gaan wij naar de kust.
- Dit is een boek over ___ zee.
- Volgens ___ krant is het morgen koud.
- Tijdens ___ regen blijven wij binnen.
- Wij spreken over ___ volgende week.
- Tijdens ___ werk is de telefoon stil.
- De leraar praat over ___ examen.
- Volgens ___ directeur is het project klaar.
- Tijdens ___ film vielen de kinderen in slaap.