A1 · Prepositions
Voor en achter het huis
voor and achter with buildings and rooms.
- De fiets staat ___ het huis.
- De tuin ligt ___ het huis.
- Er ligt een mat ___ de deur.
- De fietsen staan ___ de kerk.
- De spiegel hangt ___ de deur.
- Er liggen kabels ___ de vloer.
- Er staat een bank ___ de ingang.
- De kinderen spelen ___ het huis.
- De deur van de kelder is ___ de trap.
- De klok hangt ___ de tv.
- De kat zit ___ de bank in de kamer.
- Er staat een brief ___ de deur.