Learn Dutch
A1 · Prepositions

Bij, aan en met op het werk

bij, aan and met with work and people.

  1. Mijn vader werkt ___ een bank in Utrecht.
  2. Zij studeert ___ de hogeschool.
  3. Ik werk ___ twee collega's op de administratie.
  4. Wij gaan ___ de bus naar het kantoor.
  5. Hij werkt al vijf jaar ___ het ziekenhuis.
  6. De vergadering is ___ de klant.
  7. Mijn broer studeert ___ geneeskunde.
  8. Ik eet lunch ___ de kantine.
  9. Wij praten ___ de klant over de prijs.
  10. Hij werkt ___ een klein bedrijf in de stad.
  11. De leraar werkt ___ de school in Haarlem.
  12. Ik heb een gesprek ___ mijn chef.