A1 · Prepositions
Bij, aan en met op het werk
bij, aan and met with work and people.
- Mijn vader werkt ___ een bank in Utrecht.
- Zij studeert ___ de hogeschool.
- Ik werk ___ twee collega's op de administratie.
- Wij gaan ___ de bus naar het kantoor.
- Hij werkt al vijf jaar ___ het ziekenhuis.
- De vergadering is ___ de klant.
- Mijn broer studeert ___ geneeskunde.
- Ik eet lunch ___ de kantine.
- Wij praten ___ de klant over de prijs.
- Hij werkt ___ een klein bedrijf in de stad.
- De leraar werkt ___ de school in Haarlem.
- Ik heb een gesprek ___ mijn chef.