Learn Dutch
A1 · Prepositions

Bijna en amper

bijna (almost) and amper (barely).

  1. Ik ben ___ klaar met mijn huiswerk.
  2. Wij hebben ___ geen tijd.
  3. Hij is ___ te laat voor de bus.
  4. Het regende ___ niet.
  5. Ik heb ___ tien euro bij me.
  6. Wij zijn ___ klaar met het pakken.
  7. Er is ___ niemand in huis.
  8. De film begint ___ over een half uur.
  9. Ik begrijp ___ niets van zijn Nederlands.
  10. Zij heeft ___ de hele dag gewerkt.
  11. Er was ___ geen mens op het plein.
  12. Hij is ___ ziek om te komen.