A1 · Prepositions
Bijna en amper
bijna (almost) and amper (barely).
- Ik ben ___ klaar met mijn huiswerk.
- Wij hebben ___ geen tijd.
- Hij is ___ te laat voor de bus.
- Het regende ___ niet.
- Ik heb ___ tien euro bij me.
- Wij zijn ___ klaar met het pakken.
- Er is ___ niemand in huis.
- De film begint ___ over een half uur.
- Ik begrijp ___ niets van zijn Nederlands.
- Zij heeft ___ de hele dag gewerkt.
- Er was ___ geen mens op het plein.
- Hij is ___ ziek om te komen.