A1 · Prepositions
In plaats van
in plaats van and ten opzichte van.
- In plaats van ___ drink ik koffie.
- In plaats van met de auto ___ ik met de fiets.
- Vanwege ___ regen blijven wij thuis.
- Ten opzichte van ___ nieuws ben ik niet thuis.
- In plaats van brood ___ ik liever rijst.
- Vanwege ___ werk blijf ik vandaag thuis.
- In plaats van bellen ___ ik een mail.
- Ten opzichte van ___ plan vind ik het goed.
- Vanwege ___ drukte gaan wij later.
- In plaats van koffie ___ ik thee.
- Ten opzichte van ___ prijs is dit huis duur.
- Vanwege ___ sneeuw is de school dicht.