Learn Dutch
A1 · Prepositions

In plaats van

in plaats van and ten opzichte van.

  1. In plaats van ___ drink ik koffie.
  2. In plaats van met de auto ___ ik met de fiets.
  3. Vanwege ___ regen blijven wij thuis.
  4. Ten opzichte van ___ nieuws ben ik niet thuis.
  5. In plaats van brood ___ ik liever rijst.
  6. Vanwege ___ werk blijf ik vandaag thuis.
  7. In plaats van bellen ___ ik een mail.
  8. Ten opzichte van ___ plan vind ik het goed.
  9. Vanwege ___ drukte gaan wij later.
  10. In plaats van koffie ___ ik thee.
  11. Ten opzichte van ___ prijs is dit huis duur.
  12. Vanwege ___ sneeuw is de school dicht.