A1 · Prepositions
Aan de hemel
aan and in with the sky, the sun and the air.
- De vogel vliegt hoog aan ___ hemel.
- Er zijn grote wolken in ___ lucht.
- Wij lopen in ___ regen naar huis.
- De vliegtuigen vliegen boven ___ wolken.
- De zon staat laag aan ___ horizon.
- Het is koud in ___ wind.
- Er ligt sneeuw op ___ grond.
- De zon schijnt in ___ hemel en het is warm.
- Het vliegtuig is al in ___ lucht.
- De zon verdwijnt achter ___ wolken.
- Wij zitten op ___ balkon in de zon.
- Er is een regenboog aan ___ hemel.