A1 · Prepositions
Op de hoogste verdie
op with floors, and in with a building.
- Wij wonen op ___ derde verdieping.
- Zij woont in ___ flat met een balkon.
- De deur is op ___ begane grond.
- De lift stopt op ___ achtste verdieping.
- De toren is ___ het centrum van de stad.
- Onze flat is op ___ eerste verdieping.
- De kelder ligt onder ___ begane grond.
- Mijn kantoor is op ___ zesde verdieping.
- Het kantoor is in ___ hoge toren.
- De buren boven ons wonen op ___ vierde.
- De school is in ___ oude gebouw.
- De bakker is op ___ hoek van de straat.