A1 · Prepositions
Elkaar en jezelf
elkaar, zichzelf and each other with a preposition.
- De twee kinderen zitten naast ___.
- Wij praten ___ elkaar over het nieuws.
- De twee jongens staan tegenover ___ in de rij.
- Zij heeft het huis voor ___ gekocht.
- Wij eten ___ elkaar in de kantine.
- De twee jongens fietsen bij ___ naar school.
- Zij kopen het voor ___ samen.
- Wij werken ___ z'n drieën aan het project.
- De twee honden slapen bij ___ in de mand.
- Hij koopt het cadeau voor ___.
- Wij spreken ___ elkaar over de oplossing.
- Zij helpen ___ met het huiswerk.