Learn Dutch
A1 · Prepositions

Elkaar en jezelf

elkaar, zichzelf and each other with a preposition.

  1. De twee kinderen zitten naast ___.
  2. Wij praten ___ elkaar over het nieuws.
  3. De twee jongens staan tegenover ___ in de rij.
  4. Zij heeft het huis voor ___ gekocht.
  5. Wij eten ___ elkaar in de kantine.
  6. De twee jongens fietsen bij ___ naar school.
  7. Zij kopen het voor ___ samen.
  8. Wij werken ___ z'n drieën aan het project.
  9. De twee honden slapen bij ___ in de mand.
  10. Hij koopt het cadeau voor ___.
  11. Wij spreken ___ elkaar over de oplossing.
  12. Zij helpen ___ met het huiswerk.