A1 · Prepositions
Voor, achter, bij en aan
Four short prepositions with people and places.
- Er staat een file ___ het station.
- De bus rijdt ___ de school.
- Ik ben ___ de dokter.
- De telefoon hangt ___ de wand.
- Wij wachten ___ de deur.
- Hij staat ___ mij in de rij.
- Zij woont ___ haar oma.
- Er hangt een spiegel aan ___ muur van de gang.
- De fiets staat ___ de kerk.
- Er is een tuin ___ het huis.
- Wij eten vanavond ___ mijn zus.
- Het bordje hangt ___ de deur.