A1 · Prepositions
Tijdens het evenement
tijdens and the names of events and holidays.
- Tijdens ___ film valt iedereen stil.
- Met ___ vieren wij Kerst.
- Tijdens ___ vakantie gaan wij naar het strand.
- Met ___ Pasen hebben wij een feestje.
- Tijdens ___ avond eten wij samen.
- Met ___ oud en nieuw vieren wij het nieuwe jaar.
- Tijdens ___ toets is er geen telefoon.
- Met ___ zomer vieren wij het feest op het plein.
- Tijdens ___ regen blijven de kinderen binnen.
- Wij gaan met ___ Kerst naar mijn ouders.
- Tijdens ___ nacht is de straat stil.
- Met ___ Sint-Maarten hebben de kinderen een klasfeest.