A1 · Prepositions
Per stuk en per kilo
per with prices, weights and periods.
- De appels kosten twee euro ___ kilo.
- Het eten kost vijftien euro ___ persoon.
- Ik verdien tien euro ___ uur.
- Wij betalen dertig euro ___ maand voor de gym.
- De bus rijdt zes keer ___ dag.
- Een kaartje kost een euro ___ persoon.
- Wij eten drie keer ___ dag.
- De huur is tweehonderd euro ___ week.
- Ik leer tien nieuwe woorden ___ dag.
- De benzine kost twee euro ___ liter.
- Er komen vijf gasten ___ avond.
- Ik betaal tien euro ___ week voor mijn fiets.