Learn Dutch
A1 · Prepositions

Per stuk en per kilo

per with prices, weights and periods.

  1. De appels kosten twee euro ___ kilo.
  2. Het eten kost vijftien euro ___ persoon.
  3. Ik verdien tien euro ___ uur.
  4. Wij betalen dertig euro ___ maand voor de gym.
  5. De bus rijdt zes keer ___ dag.
  6. Een kaartje kost een euro ___ persoon.
  7. Wij eten drie keer ___ dag.
  8. De huur is tweehonderd euro ___ week.
  9. Ik leer tien nieuwe woorden ___ dag.
  10. De benzine kost twee euro ___ liter.
  11. Er komen vijf gasten ___ avond.
  12. Ik betaal tien euro ___ week voor mijn fiets.