A1 · Prepositions
In buildings and rooms
Where things are in a house or a building.
- De koelkast staat ___ de keuken.
- Het bed staat ___ het raam.
- De spiegel hangt ___ de wastafel.
- Mijn schoenen staan ___ de deur.
- De boeken staan ___ de kast.
- De tafel staat ___ het midden van de kamer.
- Ik hang de jas ___ de deur.
- De wc is ___ de badkamer.
- De telefoon ligt ___ de tafel.
- Mijn vader zit ___ de bank in de woonkamer.
- De plant staat ___ de vensterbank.
- De auto staat ___ het huis.