Learn Dutch
A1 · Prepositions

In buildings and rooms

Where things are in a house or a building.

  1. De koelkast staat ___ de keuken.
  2. Het bed staat ___ het raam.
  3. De spiegel hangt ___ de wastafel.
  4. Mijn schoenen staan ___ de deur.
  5. De boeken staan ___ de kast.
  6. De tafel staat ___ het midden van de kamer.
  7. Ik hang de jas ___ de deur.
  8. De wc is ___ de badkamer.
  9. De telefoon ligt ___ de tafel.
  10. Mijn vader zit ___ de bank in de woonkamer.
  11. De plant staat ___ de vensterbank.
  12. De auto staat ___ het huis.