A1 · Prepositions
At school and at work
Prepositions with places of work and study.
- De juf is ___ de klas.
- Mijn vader werkt ___ de bank.
- De kinderen leren ___ school.
- Ik werk ___ een restaurant in Utrecht.
- De vergadering is ___ de directeur.
- Zij studeert ___ de universiteit.
- Mijn zus werkt ___ een ziekenhuis.
- De klas is ___ de eerste verdieping.
- Wij eten vanavond ___ een vriend.
- De secretaresse zit ___ de kamer van de baas.
- Hij is ___ de kapper geweest.
- De kinderen spelen ___ school op het plein.