A1 · Prepositions
Position words
op, onder, boven, naast, tegenover, tussen.
- De kat slaapt ___ de bank.
- De school is ___ het park.
- De fiets staat ___ de muur.
- Wij zitten ___ twee scholen.
- De auto van de buurman staat ___ ons huis.
- Het vliegtuig vliegt ___ de wolken.
- Het bord staat ___ de deur van de klas.
- Mijn hand ligt ___ de tafel.
- Er ligt een bal ___ de stoelen.
- De fiets staat ___ de hek.
- Het huis van Marie is ___ dat van Ali.
- De jas ligt ___ de stoel.