A1 · Prepositions
More verb + preposition
praten over, spelen met, zorgen voor, lijken op…
- Wij praten ___ het weer.
- De kinderen spelen ___ de bal.
- Wie zorgt ___ de hond?
- Hij lijkt ___ zijn vader.
- Kun je even ___ de kinderen passen?
- Ik zoek ___ mijn sleutels.
- Ik vraag ___ hulp.
- Ik geloof ___ jou.
- Ik schrijf een brief ___ mijn oma.
- Hij betaalt ___ zijn pinpas.
- Mijn vader stopt ___ roken.
- Hij antwoordt niet ___ mijn vraag.