Learn Dutch
A1 · Prepositions

More verb + preposition

praten over, spelen met, zorgen voor, lijken op…

  1. Wij praten ___ het weer.
  2. De kinderen spelen ___ de bal.
  3. Wie zorgt ___ de hond?
  4. Hij lijkt ___ zijn vader.
  5. Kun je even ___ de kinderen passen?
  6. Ik zoek ___ mijn sleutels.
  7. Ik vraag ___ hulp.
  8. Ik geloof ___ jou.
  9. Ik schrijf een brief ___ mijn oma.
  10. Hij betaalt ___ zijn pinpas.
  11. Mijn vader stopt ___ roken.
  12. Hij antwoordt niet ___ mijn vraag.