Learn Dutch
A1 · Prepositions

Where is it?

Prepositions of place: in, op, aan, onder, tussen, bij…

  1. Het boek ligt ___ de tafel.
  2. De melk staat ___ de koelkast.
  3. De foto hangt ___ de muur.
  4. De kat slaapt ___ het bed.
  5. Ik woon ___ Utrecht.
  6. De bakker is ___ de supermarkt en de apotheek.
  7. Ik zit ___ de bus.
  8. Wij wonen ___ de eerste verdieping.
  9. Het hotel ligt ___ zee.
  10. De kinderen zijn ___ school.
  11. Ik ben vandaag ___ de dokter.
  12. Het vliegtuig vliegt ___ de stad.