A1 · Prepositions
When is it?
Prepositions of time: om, op, in, van … tot, na, over.
- De les begint ___ negen uur.
- Mijn verjaardag is ___ mei.
- Ik werk niet ___ zondag.
- Wij gaan ___ de zomer naar Spanje.
- De winkel is open ___ negen tot zes uur.
- Ik woon hier ___ 2020.
- Eerst eten we en ___ het eten doen we de afwas.
- De trein komt ___ tien minuten.
- Wat doe je ___ het weekend?
- Het is kwart ___ drie.
- Ik heb ___ 14 maart een afspraak.
- Ik ga ___ kerst naar mijn ouders.