A1 · Prepositions
To, from, with
naar, uit, van, met, bij, voor, op.
- Ik ga ___ de supermarkt.
- Ik ga ___ de trein naar Amsterdam.
- Ik kom ___ Marokko.
- Om vijf uur ga ik ___ huis.
- Ik woon nog ___ mijn ouders.
- Dit cadeau is ___ jou.
- Ik drink koffie ___ melk.
- Dit is de fiets ___ mijn broer.
- Ik krijg een kaart ___ mijn oma.
- In juli gaan we ___ vakantie.
- Kom je morgen ___ mij eten?
- Hij werkt ___ een bank.