Hoi Sara! Hoe gaat het met je? Met mij gaat het goed. Heb je morgen tijd? Ik wil graag met jou naar de stad.
Ik moet nieuwe schoenen kopen, want mijn oude schoenen zijn kapot. Daarna kunnen we samen lunchen. Er is een nieuw café bij het station. Het is klein, maar de soep is heel lekker, zegt mijn broer.
Ik kan om elf uur bij jouw huis zijn. We kunnen met de bus gaan. Of wil je fietsen? Het wordt morgen mooi weer! Stuur je even een berichtje terug? Groetjes, Lisa