A1 · Verbs
Vowel change in the stem
Stems that change their vowel: slaan → slaat, meten → meet.
- De jongen ___ hard tegen de deur. (slaan)
- Ik ___ de kast met een liniaal. (meten)
- Hij ___ de glazen vaas per ongeluk. (breken)
- Ik ___ zijn naam vaak. (vergeten)
- Mijn vader ___ de zware tas naar de zolder. (dragen)
- Zij ___ de bal in de tuin. (vangen)
- Ik ___ de shirts elke zaterdag. (wassen)
- Ik ___ de tekst niet. (begrijpen)
- De film ___ om acht uur. (beginnen)
- Mijn hond ___ in het park. (rennen)
- Hij ___ de waarheid. (zeggen)
- Ik ___ een mail naar de school. (sturen)