Learn Dutch
A1 · Verbs

Vowel change in the stem

Stems that change their vowel: slaan → slaat, meten → meet.

  1. De jongen ___ hard tegen de deur. (slaan)
  2. Ik ___ de kast met een liniaal. (meten)
  3. Hij ___ de glazen vaas per ongeluk. (breken)
  4. Ik ___ zijn naam vaak. (vergeten)
  5. Mijn vader ___ de zware tas naar de zolder. (dragen)
  6. Zij ___ de bal in de tuin. (vangen)
  7. Ik ___ de shirts elke zaterdag. (wassen)
  8. Ik ___ de tekst niet. (begrijpen)
  9. De film ___ om acht uur. (beginnen)
  10. Mijn hond ___ in het park. (rennen)
  11. Hij ___ de waarheid. (zeggen)
  12. Ik ___ een mail naar de school. (sturen)