A1 · Verbs
Zijn, werken and wonen
These three verbs never take a preposition.
- Mijn ouders ___ in Enschede. (wonen)
- Mijn moeder ___ in een ziekenhuis in Utrecht. (werken)
- Zij ___ leraar. (zijn)
- Ik ___ student in Utrecht. (zijn)
- Wij ___ in een klein huis. (wonen)
- Hij ___ een arts in het ziekenhuis. (zijn)
- In deze straat ___ jullie allebei. (wonen)
- Mijn vader ___ in de supermarkt. (werken)
- Onze dochter ___ nog op school. (zijn)
- Ik ___ alleen in mijn flat. (wonen)
- Jij ___ in een klein hotel. (werken)
- Wij ___ allebei in dezelfde straat. (wonen)