Learn Dutch
A1 · Verbs

Zijn, werken and wonen

These three verbs never take a preposition.

  1. Mijn ouders ___ in Enschede. (wonen)
  2. Mijn moeder ___ in een ziekenhuis in Utrecht. (werken)
  3. Zij ___ leraar. (zijn)
  4. Ik ___ student in Utrecht. (zijn)
  5. Wij ___ in een klein huis. (wonen)
  6. Hij ___ een arts in het ziekenhuis. (zijn)
  7. In deze straat ___ jullie allebei. (wonen)
  8. Mijn vader ___ in de supermarkt. (werken)
  9. Onze dochter ___ nog op school. (zijn)
  10. Ik ___ alleen in mijn flat. (wonen)
  11. Jij ___ in een klein hotel. (werken)
  12. Wij ___ allebei in dezelfde straat. (wonen)