Learn Dutch
A1 · Verbs

Heten: your name

Asking and giving names with heten.

  1. Hoe ___ jij? (heten)
  2. Ik ___ Sanne. (heten)
  3. Mijn dochter ___ Emma. (heten)
  4. Hoe ___ de man met de hond? (heten)
  5. De jongen ___ Tim. (heten)
  6. Wat ___ je zoon? (heten)
  7. Hoe ___ uw dochter? (heten)
  8. Mijn kat ___ Felix. (heten)
  9. De directeur ___ Jansen. (heten)
  10. Mijn twee zussen ___ Lisa en Sara. (heten)
  11. Mijn zus ___ Anna. (heten)
  12. De honden ___ allebei Fenna. (heten)