A1 · Verbs
Heten: your name
Asking and giving names with heten.
- Hoe ___ jij? (heten)
- Ik ___ Sanne. (heten)
- Mijn dochter ___ Emma. (heten)
- Hoe ___ de man met de hond? (heten)
- De jongen ___ Tim. (heten)
- Wat ___ je zoon? (heten)
- Hoe ___ uw dochter? (heten)
- Mijn kat ___ Felix. (heten)
- De directeur ___ Jansen. (heten)
- Mijn twee zussen ___ Lisa en Sara. (heten)
- Mijn zus ___ Anna. (heten)
- De honden ___ allebei Fenna. (heten)