Learn Dutch
A1 · Verbs

Weten or kennen?

Knowing a fact (weten) or a person (kennen).

  1. Ik ___ het antwoord op deze vraag niet. (weten)
  2. Wij ___ deze buurt goed. (kennen)
  3. ___ je die vrouw? (kennen)
  4. Zij ___ waar de winkel is. (weten)
  5. Mijn oma ___ geen Engels. (kennen)
  6. ___ jij wanneer de film begint? (weten)
  7. Ik ___ haar al tien jaar. (kennen)
  8. Niemand ___ waar hij woont. (weten)
  9. U ___ het adres van het hotel? (kennen)
  10. Mijn broer ___ hoe je dat maakt. (weten)
  11. Ik ___ het niet meer. (weten)
  12. De buurvrouw ___ alle kinderen in de straat. (kennen)