A1 · Verbs
Weten or kennen?
Knowing a fact (weten) or a person (kennen).
- Ik ___ het antwoord op deze vraag niet. (weten)
- Wij ___ deze buurt goed. (kennen)
- ___ je die vrouw? (kennen)
- Zij ___ waar de winkel is. (weten)
- Mijn oma ___ geen Engels. (kennen)
- ___ jij wanneer de film begint? (weten)
- Ik ___ haar al tien jaar. (kennen)
- Niemand ___ waar hij woont. (weten)
- U ___ het adres van het hotel? (kennen)
- Mijn broer ___ hoe je dat maakt. (weten)
- Ik ___ het niet meer. (weten)
- De buurvrouw ___ alle kinderen in de straat. (kennen)