A1 · Verbs
Hebben with a noun
Honger hebben, zin hebben, haast hebben, plezier hebben.
- Ik ___ echt honger. (hebben)
- ___ je zin in koffie? (hebben)
- Mijn moeder ___ haast. (hebben)
- Wij ___ geluk. (hebben)
- De jongen ___ zin in een ijsje. (hebben)
- Jij ___ altijd haast. (hebben)
- Ik ___ geen zin om te werken. (hebben)
- We ___ dorst. (hebben)
- Hij ___ pijn in zijn been. (hebben)
- U ___ haast? (hebben)
- De kinderen ___ plezier op school. (hebben)
- Wij ___ allemaal honger. (hebben)