Learn Dutch
A1 · Verbs

Hebben with a noun

Honger hebben, zin hebben, haast hebben, plezier hebben.

  1. Ik ___ echt honger. (hebben)
  2. ___ je zin in koffie? (hebben)
  3. Mijn moeder ___ haast. (hebben)
  4. Wij ___ geluk. (hebben)
  5. De jongen ___ zin in een ijsje. (hebben)
  6. Jij ___ altijd haast. (hebben)
  7. Ik ___ geen zin om te werken. (hebben)
  8. We ___ dorst. (hebben)
  9. Hij ___ pijn in zijn been. (hebben)
  10. U ___ haast? (hebben)
  11. De kinderen ___ plezier op school. (hebben)
  12. Wij ___ allemaal honger. (hebben)