A1 · Verbs
Worden: something changes
The present of worden: it gets cold, it becomes late.
- Het ___ donker buiten. (worden)
- Mijn moeder ___ moe van al het werk. (worden)
- De dagen ___ korter in de winter. (worden)
- Waarom ___ je zo moe? (worden)
- Het ___ tijd om te gaan. (worden)
- De prijzen ___ elk jaar hoger. (worden)
- Mijn vader ___ vandaag vijftig. (worden)
- In de lente ___ de dagen langer. (worden)
- De tuin ___ groen in het voorjaar. (worden)
- De situatie ___ steeds beter. (worden)
- In de herfst ___ het weer koud. (worden)
- Ik ___ vandaag echt niet beter. (worden)