Learn Dutch
A1 · Verbs

Worden: something changes

The present of worden: it gets cold, it becomes late.

  1. Het ___ donker buiten. (worden)
  2. Mijn moeder ___ moe van al het werk. (worden)
  3. De dagen ___ korter in de winter. (worden)
  4. Waarom ___ je zo moe? (worden)
  5. Het ___ tijd om te gaan. (worden)
  6. De prijzen ___ elk jaar hoger. (worden)
  7. Mijn vader ___ vandaag vijftig. (worden)
  8. In de lente ___ de dagen langer. (worden)
  9. De tuin ___ groen in het voorjaar. (worden)
  10. De situatie ___ steeds beter. (worden)
  11. In de herfst ___ het weer koud. (worden)
  12. Ik ___ vandaag echt niet beter. (worden)