A1 · Verbs
Er is, er zijn, er staat
The verb er with is, zijn, staan, liggen and zitten.
- Er ___ een groot park in de buurt. (zijn)
- Er ___ twee scholen in dit dorp. (zijn)
- Er ___ een fiets voor de deur. (staan)
- Er ___ een boek op de tafel. (liggen)
- Er ___ geen winkel in dit straatje. (zijn)
- ___ er een probleem? (zijn)
- Er ___ weinig mensen op de markt. (zijn)
- Er ___ een vogel op het dak. (zitten)
- Er ___ veel kinderen in deze buurt. (zijn)
- ___ er een brief op de mat? (liggen)
- Er ___ niemand thuis. (zijn)
- Hoeveel boeken ___ er in de bibliotheek? (zijn)