Learn Dutch
A1 · Verbs

Er is, er zijn, er staat

The verb er with is, zijn, staan, liggen and zitten.

  1. Er ___ een groot park in de buurt. (zijn)
  2. Er ___ twee scholen in dit dorp. (zijn)
  3. Er ___ een fiets voor de deur. (staan)
  4. Er ___ een boek op de tafel. (liggen)
  5. Er ___ geen winkel in dit straatje. (zijn)
  6. ___ er een probleem? (zijn)
  7. Er ___ weinig mensen op de markt. (zijn)
  8. Er ___ een vogel op het dak. (zitten)
  9. Er ___ veel kinderen in deze buurt. (zijn)
  10. ___ er een brief op de mat? (liggen)
  11. Er ___ niemand thuis. (zijn)
  12. Hoeveel boeken ___ er in de bibliotheek? (zijn)