A1 · Verbs
Kunnen: skills and abilities
What you are able to do: kunnen + infinitive.
- Ik ___ goed Nederlands spreken. (kunnen)
- Mijn broer ___ heel goed zingen. (kunnen)
- Jij ___ een fiets rijden? (kunnen)
- De kinderen ___ nog niet lezen. (kunnen)
- U ___ mij helpen? (kunnen)
- Mijn zus ___ heel goed koken. (kunnen)
- Wij ___ niet goed schrijven. (kunnen)
- ___ jij morgen komen? (kunnen)
- Mijn oma ___ geen Nederlands spreken. (kunnen)
- Deze jongen ___ heel hard lopen. (kunnen)
- Ik ___ morgen niet komen werken. (kunnen)
- Mijn ouders ___ geen Engels. (kunnen)