Learn Dutch
A1 · Verbs

Kunnen: skills and abilities

What you are able to do: kunnen + infinitive.

  1. Ik ___ goed Nederlands spreken. (kunnen)
  2. Mijn broer ___ heel goed zingen. (kunnen)
  3. Jij ___ een fiets rijden? (kunnen)
  4. De kinderen ___ nog niet lezen. (kunnen)
  5. U ___ mij helpen? (kunnen)
  6. Mijn zus ___ heel goed koken. (kunnen)
  7. Wij ___ niet goed schrijven. (kunnen)
  8. ___ jij morgen komen? (kunnen)
  9. Mijn oma ___ geen Nederlands spreken. (kunnen)
  10. Deze jongen ___ heel hard lopen. (kunnen)
  11. Ik ___ morgen niet komen werken. (kunnen)
  12. Mijn ouders ___ geen Engels. (kunnen)