Learn Dutch
A1 · Verbs

Moeten: rules and duties

What you have to do: moeten + infinitive.

  1. Je ___ een jas dragen in de winter. (moeten)
  2. Wij ___ morgen vroeg opstaan. (moeten)
  3. Hij ___ zijn huiswerk maken. (moeten)
  4. ___ jij een paraplu nemen? (moeten)
  5. In de bibliotheek ___ je stil zijn. (moeten)
  6. Mijn werkgever ___ mij vandaag helpen. (moeten)
  7. U ___ het formulier invullen. (moeten)
  8. De kinderen ___ om zeven uur opstaan. (moeten)
  9. Ik ___ vandaag naar de bank. (moeten)
  10. Op school ___ je Nederlands spreken. (moeten)
  11. Mijn zus ___ elke week boodschappen doen. (moeten)
  12. We ___ om acht uur beginnen. (moeten)