A1 · Verbs
Moeten: rules and duties
What you have to do: moeten + infinitive.
- Je ___ een jas dragen in de winter. (moeten)
- Wij ___ morgen vroeg opstaan. (moeten)
- Hij ___ zijn huiswerk maken. (moeten)
- ___ jij een paraplu nemen? (moeten)
- In de bibliotheek ___ je stil zijn. (moeten)
- Mijn werkgever ___ mij vandaag helpen. (moeten)
- U ___ het formulier invullen. (moeten)
- De kinderen ___ om zeven uur opstaan. (moeten)
- Ik ___ vandaag naar de bank. (moeten)
- Op school ___ je Nederlands spreken. (moeten)
- Mijn zus ___ elke week boodschappen doen. (moeten)
- We ___ om acht uur beginnen. (moeten)