Learn Dutch
A1 · Verbs

Willen: wishes and plans

What you want to do: willen + infinitive.

  1. Ik ___ een boek lezen. (willen)
  2. Mijn dochter ___ een hond. (willen)
  3. Jij ___ vanavond tv kijken? (willen)
  4. Wij ___ morgen naar het strand. (willen)
  5. Hij ___ een glas water. (willen)
  6. ___ jij mee? (willen)
  7. Mijn ouders ___ een ander huis. (willen)
  8. U ___ een kamer voor twee personen? (willen)
  9. Ik ___ niet naar school. (willen)
  10. Mijn broer ___ vandaag rusten. (willen)
  11. Jullie ___ het huis verkopen? (willen)
  12. Zij ___ een keer naar Spanje gaan. (willen)