A1 · Verbs
Willen: wishes and plans
What you want to do: willen + infinitive.
- Ik ___ een boek lezen. (willen)
- Mijn dochter ___ een hond. (willen)
- Jij ___ vanavond tv kijken? (willen)
- Wij ___ morgen naar het strand. (willen)
- Hij ___ een glas water. (willen)
- ___ jij mee? (willen)
- Mijn ouders ___ een ander huis. (willen)
- U ___ een kamer voor twee personen? (willen)
- Ik ___ niet naar school. (willen)
- Mijn broer ___ vandaag rusten. (willen)
- Jullie ___ het huis verkopen? (willen)
- Zij ___ een keer naar Spanje gaan. (willen)