A1 · Verbs
Vergeten and onthouden
Forgetting and remembering to do something.
- Ik ___ altijd om de melk te kopen. (vergeten)
- Mijn broer ___ zijn sleutels mee te nemen. (vergeten)
- Vergeet niet om de deur ___! (sluiten)
- Onthoud om de brief ___! (posten)
- Wij ___ onze wachtwoord nooit. (vergeten)
- Ik ___ de namen van alle buurmannen. (onthouden)
- Zij ___ meestal de tijd. (vergeten)
- Onthoud om de rekening te ___! (betalen)
- Hoe vaak ___ jij je telefoon op te laden? (vergeten)
- Mijn vader ___ nooit een afspraak. (vergeten)
- Onthoud dat je om zes uur moet ___. (opstaan)
- We ___ dit al vaak gehoord. (horen)