Learn Dutch
A1 · Verbs

Vergeten and onthouden

Forgetting and remembering to do something.

  1. Ik ___ altijd om de melk te kopen. (vergeten)
  2. Mijn broer ___ zijn sleutels mee te nemen. (vergeten)
  3. Vergeet niet om de deur ___! (sluiten)
  4. Onthoud om de brief ___! (posten)
  5. Wij ___ onze wachtwoord nooit. (vergeten)
  6. Ik ___ de namen van alle buurmannen. (onthouden)
  7. Zij ___ meestal de tijd. (vergeten)
  8. Onthoud om de rekening te ___! (betalen)
  9. Hoe vaak ___ jij je telefoon op te laden? (vergeten)
  10. Mijn vader ___ nooit een afspraak. (vergeten)
  11. Onthoud dat je om zes uur moet ___. (opstaan)
  12. We ___ dit al vaak gehoord. (horen)