A1 · Verbs
Gaan + te + infinitive
Saying what you are about to do.
- Ik ___ je morgen bellen. (bellen)
- Mijn moeder ___ vanavond naar de supermarkt gaan. (gaan)
- Wij ___ dit weekend een film kijken. (kijken)
- Hij ___ nu een mail sturen. (sturen)
- Ik ga dit weekend ___ naar de bergen. (gaan)
- Ga jij mee ___ naar het zwembad? (gaan)
- Zij ___ vanavond voor ons koken. (koken)
- We ___ de volgende week verhuizen. (verhuizen)
- Mijn vader ___ het dak repareren. (repareren)
- Ik ga jou ___ helpen. (helpen)
- De kinderen ___ buiten spelen. (spelen)
- Gaat jullie vanavond mee ___ eten? (gaan)