Learn Dutch
A1 · Verbs

Gaan + te + infinitive

Saying what you are about to do.

  1. Ik ___ je morgen bellen. (bellen)
  2. Mijn moeder ___ vanavond naar de supermarkt gaan. (gaan)
  3. Wij ___ dit weekend een film kijken. (kijken)
  4. Hij ___ nu een mail sturen. (sturen)
  5. Ik ga dit weekend ___ naar de bergen. (gaan)
  6. Ga jij mee ___ naar het zwembad? (gaan)
  7. Zij ___ vanavond voor ons koken. (koken)
  8. We ___ de volgende week verhuizen. (verhuizen)
  9. Mijn vader ___ het dak repareren. (repareren)
  10. Ik ga jou ___ helpen. (helpen)
  11. De kinderen ___ buiten spelen. (spelen)
  12. Gaat jullie vanavond mee ___ eten? (gaan)