Learn Dutch
A1 · Verbs

Fietsen, rijden and vliegen

Getting around: how you travel.

  1. Ik ___ elke dag naar school. (fietsen)
  2. Mijn vader ___ met de auto naar het werk. (rijden)
  3. Zij ___ elke zomer naar Spanje. (vliegen)
  4. Wij ___ met de boot naar Texel. (varen)
  5. Jij ___ te hard op de fiets. (fietsen)
  6. De trein ___ om half negen uit Amsterdam. (vertrekken)
  7. Mijn zus ___ elke dag tien kilometer. (lopen)
  8. U ___ met de tram naar het museum? (rijden)
  9. Ik ga met de bus ___ naar Schiphol. (rijden)
  10. De vliegtuigen ___ over ons naar het zuiden. (vliegen)
  11. Kinderen ___ hier vaak met de fiets. (fietsen)
  12. Wij ___ in een boot over hetijsmeer. (varen)