A1 · Verbs
Fietsen, rijden and vliegen
Getting around: how you travel.
- Ik ___ elke dag naar school. (fietsen)
- Mijn vader ___ met de auto naar het werk. (rijden)
- Zij ___ elke zomer naar Spanje. (vliegen)
- Wij ___ met de boot naar Texel. (varen)
- Jij ___ te hard op de fiets. (fietsen)
- De trein ___ om half negen uit Amsterdam. (vertrekken)
- Mijn zus ___ elke dag tien kilometer. (lopen)
- U ___ met de tram naar het museum? (rijden)
- Ik ga met de bus ___ naar Schiphol. (rijden)
- De vliegtuigen ___ over ons naar het zuiden. (vliegen)
- Kinderen ___ hier vaak met de fiets. (fietsen)
- Wij ___ in een boot over hetijsmeer. (varen)