Learn Dutch
A1 · Verbs

Koken and eten: in the kitchen

Cooking and eating with the most common verbs.

  1. Mijn moeder ___ elke avond voor ons. (koken)
  2. Ik ___ brood voor het ontbijt. (bakken)
  3. Zij ___ de tomaten voor de soep. (snijden)
  4. Wij ___ alles in een grote kom. (mixen)
  5. De soep moet nog even ___. (warmen)
  6. Ik ___ de soep even proeven. (proeven)
  7. De kinderen ___ al om zes uur. (eten)
  8. Hij ___ een broodje met kaas. (eten)
  9. Wij ___ op zondag samen in de tuin. (koken)
  10. Mijn oma ___ brood en kaas voor de lunch. (maken)
  11. Jij ___ vanavond bij mij thuis? (eten)
  12. In dit restaurant ___ je heel goed en goedkoop. (eten)