A1 · Verbs
Koken and eten: in the kitchen
Cooking and eating with the most common verbs.
- Mijn moeder ___ elke avond voor ons. (koken)
- Ik ___ brood voor het ontbijt. (bakken)
- Zij ___ de tomaten voor de soep. (snijden)
- Wij ___ alles in een grote kom. (mixen)
- De soep moet nog even ___. (warmen)
- Ik ___ de soep even proeven. (proeven)
- De kinderen ___ al om zes uur. (eten)
- Hij ___ een broodje met kaas. (eten)
- Wij ___ op zondag samen in de tuin. (koken)
- Mijn oma ___ brood en kaas voor de lunch. (maken)
- Jij ___ vanavond bij mij thuis? (eten)
- In dit restaurant ___ je heel goed en goedkoop. (eten)