Learn Dutch
A1 · Verbs

Boodschappen: shopping

Verbs for the supermarket and the market.

  1. Ik ___ elke week boodschappen. (doen)
  2. Mijn vader ___ altijd bij de slager. (betalen)
  3. Wij ___ de prijs op de markt. (vragen)
  4. Zij ___ een jurk bij een mooie winkel. (kopen)
  5. Ik ___ een mandje mee naar de supermarkt. (meenemen)
  6. De klant ___ bij de kassa. (afrekenen)
  7. Mijn zus ___ de supermarkt in de buurt. (kiezen)
  8. U ___ hoeveel het kost? (weten)
  9. Ik ___ een blikje soep. (kopen)
  10. Wij ___ de boodschappen naar huis. (dragen)
  11. De winkel ___ elke zondag open. (zijn)
  12. Ik ___ de prijzen te hoog vinden. (vinden)