A1 · Verbs
Boodschappen: shopping
Verbs for the supermarket and the market.
- Ik ___ elke week boodschappen. (doen)
- Mijn vader ___ altijd bij de slager. (betalen)
- Wij ___ de prijs op de markt. (vragen)
- Zij ___ een jurk bij een mooie winkel. (kopen)
- Ik ___ een mandje mee naar de supermarkt. (meenemen)
- De klant ___ bij de kassa. (afrekenen)
- Mijn zus ___ de supermarkt in de buurt. (kiezen)
- U ___ hoeveel het kost? (weten)
- Ik ___ een blikje soep. (kopen)
- Wij ___ de boodschappen naar huis. (dragen)
- De winkel ___ elke zondag open. (zijn)
- Ik ___ de prijzen te hoog vinden. (vinden)