Learn Dutch
A1 · Verbs

Leren en school: studying

Verbs of learning, studying and the school day.

  1. Ik ___ elke dag een uur Nederlands. (lernen)
  2. Mijn dochter ___ voor haar toets. (oefenen)
  3. Hij ___ elke avond een boek. (lezen)
  4. Wij ___ onze namen op het bord. (schrijven)
  5. Mijn zoon ___ goed met getallen. (rekenen)
  6. De juf ___ een vraag aan de klas. (stellen)
  7. Ik ___ de vraag niet begrepen. (hebben)
  8. Zij ___ Nederlands met een docent. (leren)
  9. Wij ___ graag nieuwe woorden. (leren)
  10. Waarom ___ je die som niet? (kunnen)
  11. De kinderen ___ hard werken in de klas. (moeten)
  12. Mijn broer ___ twee talen spreken. (kunnen)