A1 · Verbs
Leren en school: studying
Verbs of learning, studying and the school day.
- Ik ___ elke dag een uur Nederlands. (lernen)
- Mijn dochter ___ voor haar toets. (oefenen)
- Hij ___ elke avond een boek. (lezen)
- Wij ___ onze namen op het bord. (schrijven)
- Mijn zoon ___ goed met getallen. (rekenen)
- De juf ___ een vraag aan de klas. (stellen)
- Ik ___ de vraag niet begrepen. (hebben)
- Zij ___ Nederlands met een docent. (leren)
- Wij ___ graag nieuwe woorden. (leren)
- Waarom ___ je die som niet? (kunnen)
- De kinderen ___ hard werken in de klas. (moeten)
- Mijn broer ___ twee talen spreken. (kunnen)