Learn Dutch
A1 · Verbs

Werken op het kantoor

Office verbs: calling, writing, sending and meeting.

  1. Ik ___ je vanavond terug. (bellen)
  2. Mijn collega ___ de klant een mail. (mailen)
  3. Wij ___ de pakketten naar Duitsland. (sturen)
  4. Zij ___ alle collega's uitnodigen. (uitnodigen)
  5. De vergadering ___ om negen uur. (beginnen)
  6. Ik ___ nu stoppen met werken. (stoppen)
  7. Mijn baas ___ elke maandag een vergadering. (leiden)
  8. U ___ de documenten morgen nodig hebben. (moeten)
  9. Wij ___ ook op zaterdag werken. (werken)
  10. De klant ___ het antwoord per mail. (krijgen)
  11. Ik ___ de agenda even openen. (moeten)
  12. Mijn collega's ___ graag samen koffie drinken. (willen)