A1 · Verbs
Werken op het kantoor
Office verbs: calling, writing, sending and meeting.
- Ik ___ je vanavond terug. (bellen)
- Mijn collega ___ de klant een mail. (mailen)
- Wij ___ de pakketten naar Duitsland. (sturen)
- Zij ___ alle collega's uitnodigen. (uitnodigen)
- De vergadering ___ om negen uur. (beginnen)
- Ik ___ nu stoppen met werken. (stoppen)
- Mijn baas ___ elke maandag een vergadering. (leiden)
- U ___ de documenten morgen nodig hebben. (moeten)
- Wij ___ ook op zaterdag werken. (werken)
- De klant ___ het antwoord per mail. (krijgen)
- Ik ___ de agenda even openen. (moeten)
- Mijn collega's ___ graag samen koffie drinken. (willen)