Learn Dutch
A1 · Verbs

Ziek: bij de dokter

Talking about illness and visiting the doctor.

  1. Mijn zoon ___ ziek en liegt in bed. (zijn)
  2. Zij ___ koorts en hoofdpijn. (hebben)
  3. Ik ___ sinds drie dagen keelpijn. (hebben)
  4. Mijn vader ___ de hele nacht. (hoesten)
  5. Wij ___ de dokter bellen. (moeten)
  6. Na twee dagen ___ ik me beter. (voelen)
  7. De kinderen ___ vandaag niet naar school. (kunnen)
  8. U ___ meteen naar de huisarts gaan. (moeten)
  9. Mijn moeder ___ goed voor mij zorgen. (zorgen)
  10. Ik ___ een recept van de dokter krijgen. (moeten)
  11. Hij ___ al een week beter. (zijn)
  12. Niemand in huis ___ het goed doen. (kunnen)