A1 · Verbs
Ziek: bij de dokter
Talking about illness and visiting the doctor.
- Mijn zoon ___ ziek en liegt in bed. (zijn)
- Zij ___ koorts en hoofdpijn. (hebben)
- Ik ___ sinds drie dagen keelpijn. (hebben)
- Mijn vader ___ de hele nacht. (hoesten)
- Wij ___ de dokter bellen. (moeten)
- Na twee dagen ___ ik me beter. (voelen)
- De kinderen ___ vandaag niet naar school. (kunnen)
- U ___ meteen naar de huisarts gaan. (moeten)
- Mijn moeder ___ goed voor mij zorgen. (zorgen)
- Ik ___ een recept van de dokter krijgen. (moeten)
- Hij ___ al een week beter. (zijn)
- Niemand in huis ___ het goed doen. (kunnen)