Learn Dutch
A1 · Verbs

Thuis: het huishouden

Household verbs: cleaning, washing, cooking and tidying.

  1. Ik ___ het huis elke zaterdag. (schoonmaken)
  2. Mijn moeder ___ de hele dag in de keuken. (werken)
  3. Wij ___ de kleren met de machine. (wassen)
  4. Hij ___ de gang elke week. (stofzuigen)
  5. Zij ___ haar kamer op. (opruimen)
  6. Ik ___ de planten water geven. (geven)
  7. We ___ de keuken opgeruimd. (opruimen)
  8. Mijn vader ___ de auto naar de garage brengen. (brengen)
  9. Jij ___ de was ophangen. (ophangen)
  10. De meisjes ___ samen het huis opgeruimd. (opruimen)
  11. Wij ___ elke zondag het huis schoonmaken. (schoonmaken)
  12. Mijn moeder ___ de bloemen vandaag water geven. (geven)