A1 · Verbs
Thuis: het huishouden
Household verbs: cleaning, washing, cooking and tidying.
- Ik ___ het huis elke zaterdag. (schoonmaken)
- Mijn moeder ___ de hele dag in de keuken. (werken)
- Wij ___ de kleren met de machine. (wassen)
- Hij ___ de gang elke week. (stofzuigen)
- Zij ___ haar kamer op. (opruimen)
- Ik ___ de planten water geven. (geven)
- We ___ de keuken opgeruimd. (opruimen)
- Mijn vader ___ de auto naar de garage brengen. (brengen)
- Jij ___ de was ophangen. (ophangen)
- De meisjes ___ samen het huis opgeruimd. (opruimen)
- Wij ___ elke zondag het huis schoonmaken. (schoonmaken)
- Mijn moeder ___ de bloemen vandaag water geven. (geven)