A1 · Verbs
Voelen: how you feel
Feelings with voelen, zijn and vinden.
- Ik ___ me vandaag heel goed. (voelen)
- Mijn dochter ___ zich moe na school. (voelen)
- Wij ___ erg blij met het cadeau. (zijn)
- Hij ___ boos op zijn broer. (zijn)
- Het kind ___ bang in het donker. (zijn)
- Ik ___ me trots op mijn zoon. (voelen)
- Mijn vader ___ zich thuis in het dorp. (voelen)
- Zij ___ zich erg ontstemd over de prijzen. (voelen)
- Jullie ___ je daar gelukkig? (voelen)
- De klant ___ het eten heerlijk. (vinden)
- Ik ___ het hier heel prettig. (vinden)
- Wij ___ ons gelukkig met ons huis. (voelen)