Learn Dutch
A1 · Verbs

Voelen: how you feel

Feelings with voelen, zijn and vinden.

  1. Ik ___ me vandaag heel goed. (voelen)
  2. Mijn dochter ___ zich moe na school. (voelen)
  3. Wij ___ erg blij met het cadeau. (zijn)
  4. Hij ___ boos op zijn broer. (zijn)
  5. Het kind ___ bang in het donker. (zijn)
  6. Ik ___ me trots op mijn zoon. (voelen)
  7. Mijn vader ___ zich thuis in het dorp. (voelen)
  8. Zij ___ zich erg ontstemd over de prijzen. (voelen)
  9. Jullie ___ je daar gelukkig? (voelen)
  10. De klant ___ het eten heerlijk. (vinden)
  11. Ik ___ het hier heel prettig. (vinden)
  12. Wij ___ ons gelukkig met ons huis. (voelen)