Learn Dutch
A1 · Verbs

Huis: huren en verbouwen

Verbs about renting, buying and repairing a house.

  1. Wij ___ een flat in de stad. (huren)
  2. Mijn ouders ___ hun huis in 2005. (kopen)
  3. Zij ___ hun oude auto. (verkopen)
  4. Ik ___ volgend jaar naar een andere stad. (verhuizen)
  5. Mijn vader ___ de kamer blauw. (schilderen)
  6. Het ___ bij de buurvrouw. (bellen)
  7. De monteur ___ de wasmachine. (verstellen)
  8. Wij ___ in een huurhuis. (wonen)
  9. U ___ de sleutel bij de makelaar achterlaten. (moeten)
  10. Ik ___ graag een huis met een tuin. (willen)
  11. Mijn zus ___ in een klein huisje wonen. (willen)
  12. De huizen ___ duur zijn geworden. (worden)