A1 · Verbs
Huis: huren en verbouwen
Verbs about renting, buying and repairing a house.
- Wij ___ een flat in de stad. (huren)
- Mijn ouders ___ hun huis in 2005. (kopen)
- Zij ___ hun oude auto. (verkopen)
- Ik ___ volgend jaar naar een andere stad. (verhuizen)
- Mijn vader ___ de kamer blauw. (schilderen)
- Het ___ bij de buurvrouw. (bellen)
- De monteur ___ de wasmachine. (verstellen)
- Wij ___ in een huurhuis. (wonen)
- U ___ de sleutel bij de makelaar achterlaten. (moeten)
- Ik ___ graag een huis met een tuin. (willen)
- Mijn zus ___ in een klein huisje wonen. (willen)
- De huizen ___ duur zijn geworden. (worden)