Learn Dutch
A1 · Verbs

Weer: regenen, sneeuwen, waaien

Weather verbs in the present tense.

  1. Het ___ hard vandaag. (regenen)
  2. Het ___ in de bergen. (sneeuwen)
  3. Het ___ erg hard op zee. (waaien)
  4. De zon ___ vandaag helder. (schijnen)
  5. Het ___ vannacht met onweer. (onweeren)
  6. Het ___ al drie dagen niet. (regenen)
  7. In het noorden ___ het koud. (zijn)
  8. Het ___ heel zacht. (waaien)
  9. De lucht ___ grijs en donker. (zijn)
  10. Het ___ vorst op de ruiten. (vriezen)
  11. Het ___ de hele middag zon. (schijnen)
  12. Het ___ nog een keer regenen. (regenen)