A1 · Verbs
Weer: regenen, sneeuwen, waaien
Weather verbs in the present tense.
- Het ___ hard vandaag. (regenen)
- Het ___ in de bergen. (sneeuwen)
- Het ___ erg hard op zee. (waaien)
- De zon ___ vandaag helder. (schijnen)
- Het ___ vannacht met onweer. (onweeren)
- Het ___ al drie dagen niet. (regenen)
- In het noorden ___ het koud. (zijn)
- Het ___ heel zacht. (waaien)
- De lucht ___ grijs en donker. (zijn)
- Het ___ vorst op de ruiten. (vriezen)
- Het ___ de hele middag zon. (schijnen)
- Het ___ nog een keer regenen. (regenen)