Learn Dutch
A1 · Verbs

Scheidbare werkwoorden: het tweede deel

More separable verbs: opbellen, meegaan, aankleden.

  1. Ik ___ je vanavond op. (opbellen)
  2. Wij ___ mee naar het strand. (meegaan)
  3. Zij ___ zich snel aan. (aankleden)
  4. Mijn vader ___ de auto op. (opstarten)
  5. Ik ___ de tafel gedekt. (gedekt maken)
  6. De kinderen ___ klaar voor school. (klaarmaken)
  7. We ___ het huis op een zondag schoon. (opruimen)
  8. Hij ___ de telefoon al op. (opnemen)
  9. Mijn moeder ___ het brood op. (opbakken)
  10. We ___ het raam open. (opendoen)
  11. Jij ___ de was meteen ophangen. (ophangen)
  12. De bus ___ om tien uur aan. (aankomen)