A1 · Verbs
Scheidbare werkwoorden: het tweede deel
More separable verbs: opbellen, meegaan, aankleden.
- Ik ___ je vanavond op. (opbellen)
- Wij ___ mee naar het strand. (meegaan)
- Zij ___ zich snel aan. (aankleden)
- Mijn vader ___ de auto op. (opstarten)
- Ik ___ de tafel gedekt. (gedekt maken)
- De kinderen ___ klaar voor school. (klaarmaken)
- We ___ het huis op een zondag schoon. (opruimen)
- Hij ___ de telefoon al op. (opnemen)
- Mijn moeder ___ het brood op. (opbakken)
- We ___ het raam open. (opendoen)
- Jij ___ de was meteen ophangen. (ophangen)
- De bus ___ om tien uur aan. (aankomen)