A1 · Verbs
Bellen, schrijven and lezen
Communicating: calling, writing, reading, texting.
- Ik ___ je even bellen. (bellen)
- Zij ___ een brief aan haar vriendin. (schrijven)
- Wij ___ iedere avond de krant. (lezen)
- Mijn moeder ___ mij een smsje. (smsen)
- Hij ___ mij het hele verhaal. (vertellen)
- Wanneer ___ jij je antwoord terug? (sturen)
- Mijn broer ___ zijn excuses voor de fout. (maken)
- De leraar ___ de vragen op het bord. (schrijven)
- Ik ___ je het adres van het hotel. (sturen)
- We ___ elkaar elke dag. (bellen)
- Zij ___ mij graag een liedje zingen. (willen)
- U ___ mij direct antwoorden. (moeten)