Learn Dutch
A1 · Verbs

Bellen, schrijven and lezen

Communicating: calling, writing, reading, texting.

  1. Ik ___ je even bellen. (bellen)
  2. Zij ___ een brief aan haar vriendin. (schrijven)
  3. Wij ___ iedere avond de krant. (lezen)
  4. Mijn moeder ___ mij een smsje. (smsen)
  5. Hij ___ mij het hele verhaal. (vertellen)
  6. Wanneer ___ jij je antwoord terug? (sturen)
  7. Mijn broer ___ zijn excuses voor de fout. (maken)
  8. De leraar ___ de vragen op het bord. (schrijven)
  9. Ik ___ je het adres van het hotel. (sturen)
  10. We ___ elkaar elke dag. (bellen)
  11. Zij ___ mij graag een liedje zingen. (willen)
  12. U ___ mij direct antwoorden. (moeten)