A1 · Verbs
Zeggen, vertellen and praten
Saying, telling and talking: three different verbs.
- Ik ___ je iets belangrijks. (zeggen)
- Mijn moeder ___ mij een verhaal over de oorlog. (vertellen)
- Wij ___ Nederlands met de docent. (praten)
- Wat ___ je tegen de leraar? (zeggen)
- Zij ___ niet wat zij denkt. (zeggen)
- Mijn vader ___ mij over zijn jeugd. (vertellen)
- Ik ___ graag met jou praten. (willen)
- De klant ___ ons zijn probleem. (vertellen)
- Wij ___ over het weer. (praten)
- Zeg het maar, ___ je niet. (zeggen)
- Mijn zus ___ met de buurvrouw over de kinderen. (praten)
- Wat ___ je van het restaurant? (vinden)