Learn Dutch
A1 · Verbs

Zeggen, vertellen and praten

Saying, telling and talking: three different verbs.

  1. Ik ___ je iets belangrijks. (zeggen)
  2. Mijn moeder ___ mij een verhaal over de oorlog. (vertellen)
  3. Wij ___ Nederlands met de docent. (praten)
  4. Wat ___ je tegen de leraar? (zeggen)
  5. Zij ___ niet wat zij denkt. (zeggen)
  6. Mijn vader ___ mij over zijn jeugd. (vertellen)
  7. Ik ___ graag met jou praten. (willen)
  8. De klant ___ ons zijn probleem. (vertellen)
  9. Wij ___ over het weer. (praten)
  10. Zeg het maar, ___ je niet. (zeggen)
  11. Mijn zus ___ met de buurvrouw over de kinderen. (praten)
  12. Wat ___ je van het restaurant? (vinden)