A1 · Verbs
Zien, horen, kijken, luisteren
Four verbs for the senses: to see, hear, look, listen.
- Ik ___ de bus al zien komen. (zien)
- Zij ___ naar de zee. (kijken)
- Mijn vader ___ het nieuws op de tv. (luisteren)
- Ik ___ een vreemd geluid in de tuin. (horen)
- Wij ___ de hele film niet. (zien)
- Hoor je dat? Die hond ___ van de buren. (blaffen)
- De leraar ___ ons goed begrijpen. (kunnen)
- Mijn dochter ___ goed op de nachtegaan. (luisteren)
- ___ je dat? Die man loopt weg. (zien)
- We ___ de vogels in de tuin horen. (kunnen)
- Hij ___ de hele dag naar de zee kijken. (willen)
- Ik ___ heel goed horen met mijn ene oor. (kunnen)