Learn Dutch
A1 · Verbs

Zien, horen, kijken, luisteren

Four verbs for the senses: to see, hear, look, listen.

  1. Ik ___ de bus al zien komen. (zien)
  2. Zij ___ naar de zee. (kijken)
  3. Mijn vader ___ het nieuws op de tv. (luisteren)
  4. Ik ___ een vreemd geluid in de tuin. (horen)
  5. Wij ___ de hele film niet. (zien)
  6. Hoor je dat? Die hond ___ van de buren. (blaffen)
  7. De leraar ___ ons goed begrijpen. (kunnen)
  8. Mijn dochter ___ goed op de nachtegaan. (luisteren)
  9. ___ je dat? Die man loopt weg. (zien)
  10. We ___ de vogels in de tuin horen. (kunnen)
  11. Hij ___ de hele dag naar de zee kijken. (willen)
  12. Ik ___ heel goed horen met mijn ene oor. (kunnen)