A1 · Verbs
Gebruiken en dragen
Using and wearing things.
- Ik ___ elke dag de bus. (gebruiken)
- Zij ___ een warme jas. (dragen)
- Wij ___ een taxi naar het station. (nemen)
- Mijn broer ___ zijn fiets naar school. (gebruiken)
- Deze broek is te klein. Ik ___ een andere. (nemen)
- Jij ___ je fiets ook naar het werk? (gebruiken)
- De kinderen ___ allemaal een jas. (dragen)
- Mijn oma ___ een bril. (dragen)
- We ___ deze keer met de fiets. (gaan)
- Ik ___ mijn huiswerk op de computer maken. (moeten)
- Hij ___ twee kopjes koffie per dag. (drinken)
- U ___ een fiets huren of een bus nemen? (willen)