Learn Dutch
A1 · Verbs

Gebruiken en dragen

Using and wearing things.

  1. Ik ___ elke dag de bus. (gebruiken)
  2. Zij ___ een warme jas. (dragen)
  3. Wij ___ een taxi naar het station. (nemen)
  4. Mijn broer ___ zijn fiets naar school. (gebruiken)
  5. Deze broek is te klein. Ik ___ een andere. (nemen)
  6. Jij ___ je fiets ook naar het werk? (gebruiken)
  7. De kinderen ___ allemaal een jas. (dragen)
  8. Mijn oma ___ een bril. (dragen)
  9. We ___ deze keer met de fiets. (gaan)
  10. Ik ___ mijn huiswerk op de computer maken. (moeten)
  11. Hij ___ twee kopjes koffie per dag. (drinken)
  12. U ___ een fiets huren of een bus nemen? (willen)