A1 · Verbs
Beginnen en stoppen
Starting, stopping and continuing.
- De film ___ om half negen. (beginnen)
- Ik ___ om vijf uur met werken. (stoppen)
- Wij ___ met de les. (beginnen)
- Mijn vader ___ te roken sinds drie jaar. (stoppen)
- De regen ___ niet. (stoppen)
- ___ je nog een kop koffie? (willen)
- Het concert ___ pas in de pauze. (beginnen)
- We ___ met de bus naar het station. (beginnen)
- Mijn broer ___ niet meer roken. (stoppen)
- Het programma ___ om tien uur. (beginnen)
- Wij ___ vandaag nog lang door werken. (willen)
- De trein ___ tien minuten later vertrekken. (beginnen)