Learn Dutch
A1 · Verbs

Beginnen en stoppen

Starting, stopping and continuing.

  1. De film ___ om half negen. (beginnen)
  2. Ik ___ om vijf uur met werken. (stoppen)
  3. Wij ___ met de les. (beginnen)
  4. Mijn vader ___ te roken sinds drie jaar. (stoppen)
  5. De regen ___ niet. (stoppen)
  6. ___ je nog een kop koffie? (willen)
  7. Het concert ___ pas in de pauze. (beginnen)
  8. We ___ met de bus naar het station. (beginnen)
  9. Mijn broer ___ niet meer roken. (stoppen)
  10. Het programma ___ om tien uur. (beginnen)
  11. Wij ___ vandaag nog lang door werken. (willen)
  12. De trein ___ tien minuten later vertrekken. (beginnen)